![]() Apparaten-venster (Pro-editie) |
In het gedeelte Audio In Apparaat kun je het audio-apparaat kiezen dat gebruikt wordt voor opname. In het gedeelte Audio Uit Apparaat kun je het audio-apparaat kiezen dat gebruikt wordt voor afspelen.
Het is verstandig om Audio In- en Uit-apparaten te gebruiken die bij hetzelfde geluidsapparaat horen. Als dat niet zo is, zullen de samplefrequenties waarschijnlijk niet exact overeenkomen. Opgenomen tracks kunnen daardoor tijdens afspelen langzaam uit de pas lopen. Om dit op te lossen kun je in de Audio/MIDI-configuratie-app een "samengesteld apparaat" maken en dat apparaat in MultitrackStudio gebruiken. macOS zorgt dan zelf voor het synchroniseren van de twee apparaten.
Het vak Latentie bepaalt hoe lang het duurt voordat je het geluid hoort bij het live spelen van software-instrumenten of bij het gebruik van Soft Monitoring ("live effecten"). Je hoort haperingen als deze instelling te laag is.
Je geluidsapparaat ondersteunt lage latentie waarden mogelijk niet. De werkelijke latentie verschijnt als je de muis boven de optie Apparaten in het Studio-menu houdt.
In het gedeelte MIDI In Apparaten kun je het apparaat kiezen dat gebruikt wordt voor MIDI-opname. In het gedeelte MIDI Uit Apparaten kun je het apparaat kiezen dat gebruikt wordt voor MIDI-weergave.
macOS 11 ondersteunt MIDI 2.0. MIDI In/Uit Apparaten gebruiken het MIDI 2.0-protocol als het aangesloten apparaat dat ondersteunt.
![]() Audio Uitgangsinstellingen |
De Niveau-fader, alleen beschikbaar als het geluidsapparaat dit ondersteunt, regelt het afspeelniveau.
De knop Instellingen opent de Geluid-pagina in Systeemvoorkeuren, waar je het afspeelniveau enz. kunt aanpassen als het apparaat dit ondersteunt.